| Adres: | Bronsweg 7 8211 AL Lelystad |
| Telefoon: | 0320 - 215 350 |
| Telefax: | 0320 - 247 010 |
| E-mail: | Contactformulier |
Pensioen bij arbeidsongeschiktheid
Pensioen en financiële planning
Bij een werkgever bouwt u pensioen op, afhankelijk van de pensioenregeling die door de werkgever is toegezegd. Op basis van deze pensioenregeling bepalen wij in het financiële plan uw recht op pensioen en de mogelijkheden om de toekomstvoorzieningen meer efficiënt in te richten. Onderstaand geven wij meer inzicht in de verschillende pensioenregelingen.
Indien u over dit onderwerp vragen heeft kunt u contact met de Financiële Planning Specialist opnemen, kantoor Lelystad of kantoor Soest, 0320-215350. U kunt ons ook een vraag stellen via het contact formulier.
Indien u in loondienst werkzaam bent, bouwt u pensioen op via uw werkgever. Als er eenmaal een pensioenregeling is, moet het pensioengeld buiten de onderneming worden ondergebracht. Een uitzondering is de directeur groot aandeelhouder die in loondienst bij zijn eigen BV werkzaam is. Deze kan het pensioen ook in zijn eigen BV opbouwen, het zogenaamde pensioen in eigen beheer.
Het pensioen kan worden ondergebracht bij een:
- Bedrijfstakpensioenfonds
- Ondernemingspensioenfonds (specifiek voor 1 onderneming, bv Philips)
- Levensverzekeraar
Hoewel er in Nederland geen pensioenplicht bestaat, is de werkgever vaak verplicht een pensioentoezegging te doen. Dat komt doordat in veel bedrijfstakken een bedrijfstakpensioenfonds verplicht is gesteld door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Er zijn een aantal gangbare pensioenregelingen in Nederland. Hieronder bespreken we de meest voorkomende pensioenregelingen.
« Terug naar overzicht.
In een middelloonregeling bouwt u elk jaar dat u deelneemt aan de pensioenregeling een gedeelte van uw totale ouderdomspensioen op. Dit gedeelte is een percentage van de pensioengrondslag (het deel van uw salaris waarover u pensioen opbouwt), vaak 1,75 of 2%, in dat jaar. Als u dat 40 jaar doet, heeft u dus 70% (40x1,75%) van de pensioengrondslag opgebouwd. Tezamen met de AOW moet dat voor een adequate oudedagsvoorziening zorgdragen.
Meestal wordt het opgebouwde pensioen in een middelloonregeling geïndexeerd. Daardoor groeit het pensioen mee met het prijsniveau in Nederland (inflatie). Inflatie is een belangrijk aspect bij de financiële planning van uw pensioen. Onderstaand voorbeeld verduidelijkt dit.
VOORBEELD PENSIOEN MET EN ZONDER INDEXATIE
Iemand heeft een pensioengrondslag van € 40.000. De pensioengrondslag is het inkomen waarover pensioen wordt toegezegd - de franchise. De franchise is het gedeelte waarover geen pensioen wordt opgebouwd, omdat u na uw 65e jaar recht heeft op een AOW-uitkering. Het pensioen is op basis van een middelloonregeling en de opbouw bedraagt 2% per jaar. Indien u op 65-jarige leeftijd met pensioen gaat en de indexatie is 2% geweest, dan betekent dit een toezegging van circa € 49.288. Bij een pensioen zonder indexatie is dit slechts € 32.000. Een nadeel derhalve van € 17.288 per jaar levenslang.
In een middelloonregeling wordt het partnerpensioen afgeleid van het ouderdomspensioen. Meestal bedraagt het partnerpensioen 70% van het ouderdomspensioen dat u zou kunnen bereiken als u tot de pensioendatum deelneemt in de pensioenregeling.
Pensioenopbouw in een eindloonregeling
Ook in een eindloonregeling bouwt u elk jaar een stukje ouderdomspensioen op. Dit stukje pensioen is ook hier een bepaald percentage van de pensioengrondslag (het deel van uw salaris waarover u pensioen opbouwt), vaak 1,75%. Kenmerkend voor de eindloonregeling is dat men bij de berekening uitgaat van het laatst verdiende salaris. Bij elke salarisverhoging wordt het pensioen opgetrokken naar het niveau van de nieuwe pensioengrondslag. Dat heet een backserviceverhoging. Het uiteindelijke pensioenresultaat is bij de eindloonregeling dus geen afspiegeling van het salarisverloop gedurende uw hele carrière, maar wordt uitsluitend afgeleid van het laatst verdiende salaris ofwel van het eindloon. Meestal bedraagt het nabestaandenpensioen 70% van het ouderdomspensioen dat u zou kunnen bereiken als u tot de pensioendatum deelneemt in de pensioenregeling.
Gematigde eindloonregeling
Door de backserviceverhogingen zijn eindloonregelingen erg duur voor werkgevers en
pensioenuitvoerders. Dat is zeker zo als men op latere leeftijd een carrièresprong maakt. Het pensioen wordt immers aangevuld over de verstreken dienstjaren en dat is een kostbare zaak. Een variant op de eindloonregeling die dit nadeel vermindert, is de gematigde eindloonregeling. Daarin tellen salarisverhogingen na een bepaalde leeftijd (meestal 55 of 60 jaar) niet meer mee voor het pensioen. Een soort aftopping dus. Voor die laatste jaren geldt dan een middelloonregeling. Ook andere vormen van aftopping zijn mogelijk.
Bij beschikbare premieregelingen zegt de werkgever geen pensioenuitkering toe, maar stelt de werkgever een pensioenpremie ter beschikking. Die kan tijdens het dienstverband gelijk blijven of stijgen naarmate u ouder wordt. De premie is meestal een percentage van de pensioengrondslag. De premie wordt belegd. Uw pensioenpot groeit mee met de beleggingen. Zo bouwt u een kapitaal op dat vrijkomt op de einddatum. Als u in leven bent kunt u hiervan een pensioen ‘kopen’. Als in de regeling is opgenomen dat er een kapitaal wordt uitgekeerd bij eerder overlijden, dan kunnen uw nabestaanden hiervan een nabestaandenpensioen 'kopen'.
Vaak kunt u zelf bepalen waarin de premies worden belegd. Niet de hele premie wordt overigens aan de spaarpot toegevoegd. Een deel ervan kan worden gebruikt voor de afdekking van de risico's van overlijden en arbeidsongeschiktheid. Bij overlijden of arbeidsongeschiktheid wordt dan een partnerpensioen of arbeidsongeschiktheidspensioen uitgekeerd. Meestal wordt in een beschikbare premieregeling het partnerpensioen berekend alsof u in een eindloonregeling deelneemt.
Voor u als deelnemer kan de beschikbare premieregeling een nadeel hebben: u kent wel de hoogte van de premie, maar u weet niet hoeveel er op de einddatum bij elkaar gespaard is. Dat is afhankelijk van hoe de spaarpot rendeert. Ook weet u niet hoeveel het u straks kost om pensioen in te kopen. De hoogte van uw uiteindelijke pensioen is sterk afhankelijk van de dan geldende rentestand. Tegenover dit nadeel kan een belangrijk voordeel staan: u heeft meer zeggenschap over uw pensioen dan in de andere regelingen. De premie kunt u vaak aanwenden voor een verzekering naar eigen keuze. U kunt dus zelf kiezen of u iets wilt regelen voor nabestaanden of voor als u arbeidsongeschikt mocht worden.
Combinatieregeling
In een combinatieregeling is er een mix van twee systemen. Tot een bepaald salarisniveau bouwt u pensioen op volgens een eindloon- of middelloonsysteem en daarboven geldt een beschikbare premieregeling. Ook zijn er combinatieregelingen waarin u over de hele pensioengrondslag deels opbouwt volgens een eindloon- of middelloonsysteem en deels volgens een beschikbare premieregeling.
40 deelnemingsjarenpensioen
Het kan zijn dat uw pensioenregeling een 40-deelnemingsjarenpensioen kent. Dat betekent dat u na 40-deelnemingsjaren in een pensioenregeling met pensioen kunt gaan, ook al is dat eerder dan de 65-jarige leeftijd. Als u op uw 63e 40 jaar heeft deelgenomen in een pensioenregeling, mag een 40-deelnemingsjarenpensioen worden toegezegd. U laat dan uw ouderdomspensioen eerder ingaan; dit bedraagt dan 70% van uw inkomen en met het 40-deelnemingsjarenpensioen vult u het aan tot die 70%. Het 40-deelnemingsjarenpensioen is een levenslange aanvulling op uw gewone ouderdomspensioen. Er zijn niet veel pensioenregelingen die deze pensioensoort kennen.
« Terug naar overzicht.
Al is de officiële pensioenleeftijd in de meeste pensioenregelingen 65 jaar, toch werken maar weinig mensen tot die leeftijd door. Volop werd er gebruik gemaakt van de vut of van prepensioen. Daarnaast zijn er pensioenregelingen met een pensioendatum vóór de leeftijd van 65 jaar. Deze kenden naast het gewone ouderdomspensioen dan meestal ook een overbruggingspensioen. Maar er is nogal wat veranderd. De overheid wil immers graag dat mensen langer doorwerken. Daarom zijn er maatregelen genomen waardoor het minder gemakkelijk is geworden om te stoppen met werken voor uw 65ste.
De veranderingen komen erop neer dat de mogelijkheden eerder met pensioen te gaan behoorlijk zijn ingeperkt. Vutregelingen mogen nog wel tussen werkgevers en werknemers worden afgesproken, maar ze worden fiscaal erg onaantrekkelijk. Hetzelfde geldt voor prepensioenregelingen. Daarnaast mag een pensioenregeling geen overbruggingspensioen meer bevatten en de pensioenopbouw moet uitgaan van een pensioenleeftijd van 65 jaar.
De nieuwe regels voor vut, prepensioen en vroegpensioen gelden voor alle pensioenregelingen die zijn ingevoerd na 1 januari 2005. Regelingen die al bestonden op 31 december 2004 mogen in 2005 ongewijzigd worden voortgezet. Voor die regelingen zijn de nieuwe regels gaan gelden per 1 januari 2006. De levensloopregeling is ook op 1 januari 2006 ingegaan.
De verhoging van uw pensioenleeftijd heeft natuurlijk nogal wat gevolgen. Naarmate u dichter tegen uw pensioen aanzit, zijn die gevolgen ingrijpender. Daarom is er een overgangsregeling. Die zorgt ervoor dat de nieuwe regels niet onmiddellijk voor iedereen gelden. Zo heeft de regeling minder (of geen) gevolgen voor oudere werknemers.
Op basis van de overgangsregeling mochten bestaande vut-, prepensioen- en vroegpensioenregelingen ongewijzigd worden voortgezet voor werknemers die op 31 december 2004 55 jaar of ouder waren. Daaraan is wel een voorwaarde verbonden. De regeling moet de werknemer de mogelijkheid bieden de uitkering later te laten ingaan. De uitkering stijgt dan. Voor prepensioen- en vroegpensioenregelingen geldt daar boven op de voorwaarde dat de regeling de mogelijkheid biedt van deeltijdpensioen.
Bij de afspraken die er tussen werkgevers en werknemers worden gemaakt bij de wijziging van de pensioenregeling, hoefde de regeling voor werknemers van 55 jaar en ouder dus niet gewijzigd te worden. Dat betekent echter niet dat werkgevers en werknemers dit ook zo moesten afspreken. Het kon heel goed zijn dat in een bepaald bedrijf of in een bepaalde bedrijfstak afgesproken werd dat de regeling alleen ongewijzigd werd voortgezet voor bijvoorbeeld 58-plussers.
Een groep werknemers viel net buiten de overgangsregeling. Zij zijn geboren na 1 januari 1950 en vóór 1 januari 1955. Om het hen toch mogelijk te maken zelf te sparen voor vervroegde pensionering, mogen zij meer dan 12% storten in hun levensloopregeling. Ook voor hen geldt echter dat het levenslooptegoed ten hoogste 2,1 jaarsalaris mag bedragen.
Er zijn wel mogelijkheden om toch eerder met pensioen te gaan. Één van de mogelijkheden om eerder met pensioen te gaan is ervoor sparen in de levensloopregeling. In deze regeling mag ieder jaar ten hoogste 12% van het bruto inkomen belastingvrij opzij gezet worden. Het levenslooptegoed mag ten hoogste 2,1 jaarsalarissen bedragen. U kunt het levenslooptegoed bijvoorbeeld gebruiken om tussentijds verlof te financieren of om vervroegd met pensioen te gaan. Ook mag u geld uit de levensloopregeling onder bepaalde voorwaarden doorsluizen naar uw pensioenregeling. Indien u geboren bent na 1 januari 1950 en vóór 1 januari 1955 mag u meer dan 12% storten in uw levensloopregeling.
In veel pensioenregelingen kunt u ook eerder met pensioen dan op je 65ste. Doordat uw pensioen eerder ingaat wordt de uitkering een stuk lager, ieder jaar zo’n 8 à 9%. U moet immers langer rondkomen met uw pensioenpot. Bovendien maakt u minder dienstjaren, waardoor u minder pensioen opbouwt. Ook moet u er rekening mee houden dat u de AOW pas vanaf uw 65e krijgt. Om dat te compenseren mag u een AOW-overbrugging uit uw pensioenpot halen. Uw pensioen wordt dan echter nóg lager. U kunt ook de pensioenuitkeringen variabiliseren. Het pensioen kan dusdanig worden gevariabiliseerd dat het de eerste jaren een hoger bedrag uitkeert dan in de latere jaren. De variatie kan plaatsvinden binnen de bandbreedte 100/70.
Iedereen die tot 31-12-2005 premies heeft betaald voor een lijfrenteverzekering kan nog gebruik maken van de overbruggingslijfrente. Deze biedt de mogelijkheid om tot 65-jarige leeftijd uw lijfrente(n) te laten uitkeren, zie verder: lijfrente.
Eerder stoppen met werken kan ook gefinancierd worden door zelf vermogen op te bouwen. Welke manier of combinatie van manieren in uw situatie het beste resultaat geeft hangt af van uw persoonlijke omstandigheden. Een onafhankelijke financiële planning kan inzichtelijk maken wat voor u de beste manier is.
Soms biedt de pensioenregeling de mogelijkheid om in deeltijd met pensioen te gaan. Als u onder de prepensioenovergangsregeling valt, heeft u zonder meer recht op deeltijdpensioen. Als u dat doet, laat u voor een gedeelte van uw werkweek uw pensioen ingaan en voor het andere gedeelte blijft u werken. Het is vaak ook mogelijk om pensioen op te bouwen voor het deel dat u werkt.
« Terug naar overzicht.
Een scheiding heeft bijna altijd grote gevolgen voor het pensioen. Het pensioen moet gedeeld worden met de ex-partner. Hoe die verdeling in zijn werk gaat is wettelijk vastgelegd. Bij de verdeling wordt er naar twee pensioensoorten gekeken: het partnerpensioen en het ouderdomspensioen.
Belangrijk om te weten is of in uw pensioenregeling het partnerpensioen wordt “opgebouwd” of “op risicobasis is verzekerd”. In dat laatste geval heeft de ex-partner geen aanspraak op een uitkering als u komt te overlijden.
Voor partnerpensioen dat wordt opgebouwd, is in de wet geregeld dat de ex-partner recht heeft op een bijzonder partnerpensioen. Het bijzonder partnerpensioen is het partnerpensioen dat tot de datum van scheiding is opgebouwd. Het wordt een bijzonder pensioen genoemd omdat het na overlijden van de (gewezen) deelnemer uitbetaald wordt op een moment dat de ex-partner niet meer met de deelnemer of ex-deelnemer getrouwd is, en dus eigenlijk ook geen weduwe of weduwenaar is. Ook partners hebben recht op zo’n bijzonder partnerpensioen. Dat geldt niet alleen voor geregistreerde partners maar ook voor niet geregistreerde partners.
Bij hertrouwen wordt het partnerpensioen voor de nieuwe partner verminderd met het bedrag dat de ex-partner krijgt aan bijzonder partnerpensioen. Het kan dus zijn dat uw nieuwe partner daardoor na uw overlijden te weinig inkomen heeft.
In de Wet pensioenverevening is bepaald dat het pensioen bij scheiding 'verevend' wordt. Dat wil zeggen dat de ex-partner recht heeft op de helft van het pensioen dat tijdens het huwelijk is opgebouwd. Dat geldt zowel voor een gewone echtscheiding als voor de scheiding van tafel en bed. De ex-partner krijgt zijn/haar deel van het pensioen pas vanaf de datum dat de ander met pensioen gaat. Wanneer de scheiding binnen twee jaar is gemeld aan de pensioenuitvoerder, moet de pensioenuitvoerder het pensioendeel van de ex-partner rechtstreeks uitbetalen. Veel mensen vinden dat prettig, omdat ze dan niet afhankelijk zijn van de welwillendheid van de ex-partner. Wordt de scheiding pas na twee jaar gemeld, dan vervalt het recht op rechtstreekse uitbetaling door de pensioenuitvoerder. Het recht op uitbetaling blijft, maar het aandeel moeten ze dan zelf bij hun ex-partner opeisen. Het deel van het pensioen dat aan de ex-partner wordt toebedeeld, wordt uitgekeerd zolang allebei nog in leven zijn. Na overlijden van de ex-partner, krijgt degene die het pensioen had opgebouwd weer het volledige pensioen. Als u eerder overlijdt dan uw ex-partner, dan stopt de uitkering. Mogelijk krijgt uw ex-partner dan nog wel een bijzonder partnerpensioen.
U mag van de wettelijke regeling van pensioenverdeling afwijken. De belangrijkste afwijking van de standaardverdeling is conversie. Bij conversie worden het aandeel in het ouderdomspensioen en de waarde van het eventuele bijzonder partnerpensioen omgezet in één pensioenrecht voor de ex-partner. Conversie kan voor de ex-partner aantrekkelijk zijn omdat hij/zij dan zelf kan bepalen wanneer het pensioen ingaat. Het kan echter ook nadelig zijn omdat de ex-partner na het overlijden van de voormalige partner het partnerpensioen misloopt. De ex-partner die voor conversie kiest, moet dus volledig in het eigen onderhoud kunnen voorzien. In veel situaties waarin alimentatie wordt ontvangen, is dit niet het geval. Conversie kan ook nadelen hebben voor degene die het pensioen heeft opgebouwd. Bij verevening zou u na overlijden van de ex-partner weer het volledige ouderdomspensioen krijgen. Bij conversie gaat dat niet op, want dan doet u definitief afstand van de helft van uw ouderdomspensioen.
« Terug naar overzicht.
Wat gebeurt er bij overlijden met uw pensioen. Wat de nabestaanden krijgen is mede afhankelijk van het tijdstip van overlijden.
Overlijden vóór de pensioendatum
Het pensioen voor uw nabestaanden is vaak minder dan u denkt. Het is meestal 70% van uw bereikbare ouderdomspensioen. Is uw partner 65 jaar, dan krijgt zij of hij ook AOW. Het is nog maar de vraag of de nabestaande bovenop het partnerpensioen nog een (volledige) Anw-uitkering krijgt van de overheid. Die kans is niet groot. Lang niet elke pensioenregeling kent een voorziening om het gemis aan Anw te compenseren. Het is dus belangrijk om goed te kijken wat uw partner krijgt als u komt te overlijden.
Dat geldt zeker omdat tegenwoordig in veel pensioenregelingen het partnerpensioen 'op risicobasis' is verzekerd. Zo’n pensioen vervalt bij ontslag. Bij wisseling van baan heeft u dan altijd een tekort aan partnerpensioen. Tenzij u bij uw ontslag een deel van het ouderdomspensioen heeft omgeruild in partnerpensioen.
Bij echtscheiding
Daar komt nog bij dat u, als u eens gescheiden bent, een deel van het partnerpensioen heeft moeten afstaan aan uw ex-partner. Als u na echtscheiding hertrouwt, krijgt uw nieuwe partner daardoor een aanzienlijk lagere uitkering als u komt te overlijden. Het is soms nodig om aanvullende maatregelen te nemen, zeker als uw nieuwe partner volledig van uw inkomen afhankelijk is.
Korting op nabestaandenpensioen bij leeftijdsverschil
Tenslotte kennen veel pensioenregelingen een korting op het partnerpensioen als u en uw partner meer dan 10 jaar in leeftijd verschillen. Die korting bedraagt vaak 2,5% voor elk jaar dat het leeftijdsverschil groter is dan 10 jaar. Tegen deze korting wordt overigens vaak bezwaar gemaakt, omdat sprake zou zijn van ongelijke behandeling tussen vooral mannen en vrouwen. De jongere partner is immers vaak een vrouw. Meer dan eens heeft de Commissie gelijke behandeling de korting op de uitkering aangemerkt als ongeoorloofde ongelijke behandeling. Hoe dan ook, in veel gevallen kan het partnerpensioen behoorlijk tegenvallen. Hoe dat in uw situatie is, kan een van onze adviseurs met u doornemen. Met name de inventarisatie van de mogelijke oplossingen en de effectiviteit van deze oplossingen is belangrijk.
Overlijden na pensioendatum
Bijna alle pensioenregelingen bepalen dat u vóór de pensioendatum moet zijn getrouwd, geregistreerd of moet samenwonen. Wanneer u pas na uw pensionering trouwt of gaat samenwonen, heeft uw partner gewoonlijk geen recht op een uitkering na uw overlijden.
Tegenwoordig is in veel pensioenregelingen het partnerpensioenpensioen 'op risicobasis' verzekerd. Dan is er bij overlijden na de pensioendatum geen uitkering voor de partner. Pensioenregelingen bieden daarom de mogelijkheid om op de pensioendatum een deel van het ouderdomspensioen in te ruilen voor een partnerpensioen, zodat er na overlijden dus wel een uitkering voor de partner is. Deze uitkering is echter lager dan het partnerpensioen dat de partner zou hebben gekregen bij overlijden vóór de pensioendatum. Het ouderdomspensioen wordt immers verlaagd door de ruil. Het partnerpensioen is 70% van dat lagere ouderdomspensioen.
Is er in de pensioenregeling partnerpensioen opgebouwd (recent of in het verleden), dan blijft dat bij pensionering behouden. Het is belangrijk na te gaan hoeveel dat is en of het voldoende is om van te leven. U kunt het opgebouwde partnerpensioen inruilen voor een hoger of eerder ingaand ouderdomspensioen. Dat kun u bijvoorbeeld doen als u geen partner (meer) heeft, of als uw partner in haar of zijn eigen inkomen kan voorzien. Let wel: als u het partnerpensioen inruilt, is er na uw overlijden geen uitkering voor uw partner. Zij (of hij) moet daar dus mee instemmen.
« Terug naar overzicht.
Heeft u zich weleens afgevraagd hoe het zit met uw inkomen als u arbeidsongeschikt wordt? Krijg u een uitkering vanuit uw pensioenregeling en/of van de overheid (WIA of WAO)? En hoe gaat het verder met de opbouw van uw pensioen als u (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt bent? Sommige pensioenregelingen kennen, naast een ouderdoms- en nabestaandenpensioen, ook een arbeidsongeschiktheidspensioen. Dat krijgt u als u arbeidsongeschikt bent. Het gaat om een aanvulling op de WIA-uitkering die u van de overheid krijgt. Was u vóór 1 januari 2004 al ziek, dan gaat het om een aanvulling op de WAO.
Met ingang van 1 januari 2006 is er een nieuwe wettelijke regeling voor arbeidsongeschiktheid: de WIA. Met deze wet wordt geprobeerd mensen zoveel mogelijk aan het werk te houden. Er zijn binnen de WIA twee regelingen:
*De IVA. Deze regeling geldt voor werknemers die voor meer dan 80% duurzaam arbeidsongeschikt zijn. Zij krijgen een uitkering van 75% van het salaris (dat salaris is wel gemaximeerd tot circa € 45.000).
*De WGA. Deze regeling geldt voor werknemers die voor tenminste 35% gedeeltelijk arbeidsgeschikt zijn. Bij de WGA is het financieel altijd voordelig om meer te gaan werken.
De WGA kent 2 uitkeringen:
Eerst is er de loongerelateerde uitkering, de duur van deze uitkering is afhankelijk van het aantal jaren dat u gewerkt heeft.Na de loongerelateerde uitkering komt u, als u nog steeds gedeeltelijk arbeidsongeschikt bent, in aanmerking voor een loonaanvulling of een vervolguitkering. De hoogte van de uitkering is afhankelijk van de mate waarin u uw resterende verdiencapaciteit benut. Als u uw verdiencapaciteit niet voldoende benut is de vervolguitkering een bedrag van 70% van het minimumloon, vermenigvuldigd met het arbeidsongeschiktheidspercentage.
Benut u echter uw resterende verdiencapaciteit voor ten minste 50% dan krijgt u een loonaanvulling. Als u uw resterende verdiencapaciteit helemaal benut is uw loonaanvulling 70% van het verschil tussen het gemaximeerde loon en uw nieuwe loon. De loonaanvulling is ten minste gelijk aan het bedrag van de vervolguitkering. Ook al kent de overheid een wettelijke regeling voor arbeidsongeschiktheid, dan nog is het de vraag of dat voldoende zal zijn om van te leven. Zet bijvoorbeeld uw uitgaven eens op een rijtje.
Soms is er in de pensioenregeling een aanvullend arbeidsongeschiktheidspensioen geregeld voor het salarisgedeelte boven het maximumloon van de WIA. In 2007 is het maximumloon voor de WIA € 45.017,-. Dat betekent in de praktijk dat de WIA-uitkering maximaal € 31.512,- bedraagt (70% van € 45.017,-). Dat is een behoorlijke terugval in inkomen. Zeker als u meer verdient dan € 45.017,-. Voorziet de pensioenregeling in een aanvullend arbeidsongeschiktheidspensioen? Dan krijg u bij volledige arbeidsongeschiktheid bovenop de WIA-uitkering een bedrag van 70% van het inkomen boven € 45.017,-.
« Terug naar overzicht.
Pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid
In bijna alle pensioenregelingen is geregeld dat de pensioenopbouw gewoon doorloopt als u arbeidsongeschikt bent. Voor het deel dat u werkt betaalt u zelf de pensioenpremie, voor het deel dat u niet kunt werken, hoef u geen premie te betalen. Het is belangrijk om na te kijken hoe het in uw pensioenregeling geregeld is met de premievrijstelling als u gedeeltelijk arbeidsongeschikt bent. Het komt nogal eens voor dat er geen vrijstelling is als u minder dan 50 of 60% arbeidsongeschikt bent. De pensioenopbouw loopt dan dus alleen door voor het gedeelte dat u werkt.
Ook is het van belang om te weten of de opbouw wordt voortgezet op basis van het laatstverdiende salaris of dat dit laatste salaris steeds aangepast wordt aan de algemene loonontwikkeling. Het zal duidelijk zijn dat dat laatste veel gunstiger voor u uitpakt. In de meeste pensioenregelingen geldt dat de werkgever of u de premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid zelf moet aanvragen. Doet u dit niet, of bent u te laat, dan kan de pensioenopbouw stoppen.
« Terug naar overzicht.
Het pensioen vertegenwoordigt een grote waarde. Bij wisseling van werkgever kan het pensioen worden overgedragen. Deze overdracht is aan bepaalde regels gebonden. Vaak wordt niet de financiële consequentie op basis van uw wensen en behoeften duidelijk toegelicht. Een aantal zaken waar u op moet letten bij waardeoverdracht:
Bij een foutief uitgevoerde waardeoverdracht kunnen tienduizenden euro’s verloren gaan.
« Terug naar overzicht.
Pensioen is als onderdeel van de toekomstvoorzieningen uitermate belangrijk, omdat het een groot kapitaal vertegenwoordigt. Een pensioen van € 25.000 vertegenwoordigt een vermogen van ongeveer € 400.000 op 65-jarige leeftijd. Onnodig om het belang van een goede regeling aan te geven en om de juiste keuzes bij bijvoorbeeld waardeoverdracht te maken. Wij maken op basis van een financiele planning inzichtelijk wat in uw situatie optimaal is. Neem contact met ons op indien u meer informatie over onze dienstverlening wilt ontvangen, of stuur uw vraag via een e-mail.
Kantoor Soest : 035-6034500
kantoor Lelystad : 0320-215350