Adres: Bronsweg 7
8211 AL Lelystad
Telefoon: 0320 - 215 350
Telefax: 0320 - 247 010
E-mail: Contactformulier
FFP-keurmerk
U bent hier: Toekomstvoorzieningen » Pensioen DGA

Pensioen DGA


De directeur groot aandeelhouder heeft een aparte status als het om pensioen gaat. In de Wet op de Loonbelasting wordt bepaald dat het pensioen mag worden uitgevoerd door de vennootschap die de toezegging doet, mits de persoon tenminste 10% van het aandelenkapitaal vertegenwoordigt. Het pensioen dat in eigen beheer als zodanig wordt opgebouwd dient gereserveerd te worden op de balans. De directeur groot aandeelhouder kan op de onderstaande manieren zijn pensioen opbouwen: 

• Via lijfrente 
• Via banksparen 
• Via een verzekeraar als pensioentoezegging 
• In eigen beheer. 

De eerste drie vormen worden besproken in de drie andere hoofdstukken. Voor de regeling in eigen beheer gelden een aantal bijzondere bepalingen. Hieronder bespreken we een aantal facetten. Onze dienstverlening richt zich op een zo efficiente manier bewerkstelligen van uw doelstelling. Een finaniceel planner kan met behulp van onze pensioenspecialist voor u inzcihtelijk maken wat de meest optimale oplossing is.

 

Pensioen van de DGA in eigen beheer


In Nederland is het gebruikelijk om aan werknemers pensioen toe te kennen. Ook een dga kan een pensioentoezegging krijgen van zijn bv. Hieronder schetsen we in hoofdlijnen de pensioenvoorziening van de DGA. Daarbij staat de opbouw van deze rechten bij de eigen bv centraal. Ook wordt stilgestaan bij de gevolgen van het overlijden van de dga.

Pensioenwet

De Pensioenwet heeft per 1 januari 2007 de Pensioen- en spaarfondsenwet vervangen. Met de invoering van de Pensioenwet is de dga expliciet buiten de regels ter bescherming van pensioenrechten geplaatst. De dga is namelijk voor de Pensioenwet geen werknemer. Dit heeft o.a. gevolgen voor de bescherming van opgebouwde pensioenrechten bij een faillissement of het deelnemen aan een collectieve pensioenregeling. De wetgever het niet meer nodig geacht de juridische bescherming die een ‘normale’ werknemer wel geniet van toepassing te verklaren. Voor de dga die reeds voor 1 januari 2007 een pensioen opbouwt, geldt een overgangsregeling tot en met 31 december 2007.


De pensioenrechten van de DGA


De dga is meestal werknemer bij zijn eigen bv. Net als iedere andere werknemer kan de dga als onderdeel van de arbeidsvoorwaarden een recht op pensioen afspreken met zijn werkgever, de bv. Dit pensioenrecht behoort daarmee tot de belaste loonsfeer en vormt loon voor de loonbelasting en de inkomstenbelasting. Voldoet het toegekende recht aan een aantal voorwaarden, dan wordt het toekennen van het pensioen niet belast als loon maar worden te zijner tijd de pensioenuitkeringen belast. Dit systeem wordt ook wel de omkeerregel genoemd. Voor de loonbelasting en de inkomstenbelasting wordt de belasting over de toegekende pensioenrechten dus uitgesteld naar de uitkeringsfase. Voor de vennootschapsbelasting mogen de kosten voor het toekennen van de pensioenrechten direct worden afgetrokken van het fiscale resultaat. Dit betekent een groot liquiditeitsvoordeel voor een onderneming.

Aandelenbelang in BV


Op de toegekende pensioenrechten zijn de beschermingsregels van de Pensioenwet niet van toepassing. De dga wordt voor de Pensioenwet niet beschouwd als een werknemer indien deze voor ten minste 10% van het geplaatste aandelenkapitaal (in)direct persoonlijk aandeelhouder is van de bv waar hij in dienst is. Het aandelenbezit van zijn echtgenote telt daarbij niet mee. Daarbij is ook niet relevant of het aandelenbezit behoort tot een huwelijksgemeenschap. De echtgenote die meewerkt in de onderneming van de bv moet dus ook voldoen aan deze 10%-eis om voor de aan haar toegekende pensioenrechten buiten de Pensioenwet te vallen.

Voldoet een dga aan deze voorwaarden dan gelden op diens pensioenrechten niet de wettelijke voorschriften van de Pensioenwet in geval van o.a. ontslag, waardeoverdracht en faillissement. Overigens zijn bij echtscheiding wel de wettelijke regels voor de verdeling van deze pensioenrechten van toepassing. Wenst een dga wel onder de bescherming te vallen van de Pensioenwet dan dient rekening gehouden te worden met de genoemde 10%-aandeelhouderseis. Indien een werknemer ten minste 10% van de onderneming verkrijgt dan vallen zij voor de opgebouwde pensioenrechten niet meer onder de Pensioenwet. Deze werknemers hebben ook geen wettelijk recht om de pensioenrechten mee te nemen naar een volgende werkgever. 


Fiscale opbouwmogelijkheden pensioen DGA

 

De dga kan verschillende pensioenrechten overeenkomen met zijn bv. Sinds 1 januari 2005 zijn de volgende pensioenrechten nog toegestaan:
• ouderdomspensioen;
• nabestaandenpensioen;
• nabestaandenoverbruggingspensioen;
• wezenpensioen;
• invaliditeitspensioen;
• 40-deelnemingsjarenpensioen.

Ouderdomspensioen in eigen beheer van de DGA 

Het ouderdomspensioen is een levenslang pensioen dat ingaat op de pensioendatum en eindigt bij overlijden van de dga. Voor de loonbelasting mag met ingang van 1 januari 2005 het ouderdomspensioen ingaan vanaf 65-jarige leeftijd. Het ouderdomspensioen moet uiterlijk op 70-jarige leeftijd ingaan.

Nabestaandenpensioen in eigen beheer van de DGA

Het nabestaandenpensioen is een levenslang of tijdelijk pensioen dat ingaat bij overlijden van de dga of na beëindiging van een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet. Dit pensioen komt toe aan de weduwe of weduwnaar van de dga. Ook ongehuwde partners kunnen een nabestaandenpensioen opbouwen. Enig vereiste is dan dat ze duurzaam samenwonen. Tevens kan er een overbruggingspensioen voor de nabestaande worden gereserveerd. Dit is een pensioenuitkering ter aanvulling op het nabestaanden- of wezenpensioen als er geen recht (meer) bestaat op een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet.

Wezenpensioen in eigen beheer van de DGA


Dit pensioen geeft wezen het recht op een pensioen bij overlijden van hun ouder (de dga). Het pensioen kan ook worden toegekend aan stief- of pleegkinderen. Dit pensioen eindigt op 30-jarige leeftijd van het kind.

Invaliditeitspensioen in eigen beheer van de DGA


Dit pensioen komt tot uitkering wanneer de dga arbeidsongeschikt raakt. De hoogte van de uitkering is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid.

40-deelnemingsjarenpensioen in eigen beheer van de DGA

Aan werknemers die 40 deelnemingsjaren bereiken in de pensioenregeling bij de bv kan een aanvullend pensioen worden toegekend. Opbouw is pas mogelijk na het bereiken van de 40 deelnemingsjaren.

Het is denkbaar dat de dga ook andere pensioenrechten heeft toegekend gekregen van de bv. Zo werd tot 1 januari 2005 ook overbruggingspensioen pas belast op het moment van uitkering. De regering wenste dat werknemers langer doorwerken.De opbouw van eerder genoemde pensioenrechten is afhankelijk van de gekozen pensioenregeling. De hoogte van de op te bouwen pensioenrechten is afhankelijk van de hoogte van het salaris en van de diensttijd.

Hooge van het salaris

 

De hoogte van het ouderdomspensioen is gerelateerd aan de hoogte van het salaris. Dit salaris bestaat uit de volgende onderdelen:

Wordt een pensioen opgebouwd bij een externe verzekeraar dan mag, in tegenstelling tot opbouw bij de eigen bv, ook over loon in natura pensioen worden opgebouwd. Over de bijtelling van de auto mag in beide gevallen geen pensioen worden opgebouwd.

 

Franchise

De opbouw van het pensioen wordt gerekend over het salaris na aftrek van de zogenoemde ‘franchise’. De franchise staat voor het deel van de toekomstige AOW-uitkeringen. Deze AOW-uitkeringen voorzien al in een deel van de toekomstvoorziening zodat er voor dat deel geen pensioen opgebouwd mag worden. Het salaris na aftrek van de franchise wordt de pensioengrondslag genoemd. De hoogte van de franchise kan verschillen. De minimale franchise is gelijk aan AOW-uitkering voor gehuwden inclusief vakantiegeld vermenigvuldigd met 10/7. De franchise mag lager zijn als niet de maximale wettelijke pensioenopbouwpercentages worden toegepast. Overigens geldt dat hoe lager de franchise is, hoe hoger de pensioenopbouw. Immers een lage franchise betekent een hogere pensioengrondslag waarover de pensioenrechten worden opgebouwd. Bij de opbouw van pensioen in eigen beheer zal de franchise hoger zijn dan bij de opbouw van pensioen bij bijvoorbeeld een verzekeringsmaatschappij.

Diensttijd van de DGA

Pensioen wordt opgebouwd over de tijd dat een werknemer in dienst is bij de werkgever. Voor de dga betekent dit dat hij over zijn tijd dat hij in dienst is bij zijn eigen bv pensioen mag opbouwen. Daarbij mogen ook de jaren worden meegerekend dat de dga als ‘normale’ werknemer in dienst was van de bv. Het pensioen wordt opgebouwd tijdens de diensttijd van de dga bij zijn bv en gedurende die diensttijd over de pensioengrondslag. Bij de opbouw van de verkregen pensioenrechten zijn er verschillende opbouwstelsels denkbaar. De meest voorkomende stelsels bij een dga zijn:
• eindloonregeling;
• middelloonregeling.

Eindloonregeling


Bij de dga wordt meestal de eindloonregeling toegepast. Bij een eindloonregeling bouwt de dga per dienstjaar (maximaal) 2% over de pensioengrondslag aan ouderdomspensioen op. Stijgt het salaris dan stijgt het ouderdomspensioen. Het reeds in het verleden opgebouwde pensioen wordt dan ook met terugwerkende kracht verhoogd. Deze verhoging van de in het verleden opgebouwde pensioenrechten levert een extra last op voor de bv. Deze last wordt de ‘backservice’-verplichting genoemd en de bv mag deze direct in mindering brengen op haar resultaat.

Middelloonregeling

Heeft de dga een middelloonregeling afgesproken met zijn bv dan bouwt de dga jaarlijks (maximaal) 2,25% over de pensioengrondslag op aan ouderdomspensioen. Bij een middelloonregeling wordt bij een salarisstijging geen inhaal gepleegd over in het verleden opgebouwde pensioenrechten. In feite vindt de opbouw van het pensioen plaats over het gemiddelde salaris van de werknemer rekening houdend met de AOW-franchise. Zowel bij een eindloonregeling als een middelloonregeling bedraagt het nabestaandenpensioen 70% van het opgebouwde ouderdomspensioen. Het wezenpensioen bedraagt in beide stelsels 14% van het opgebouwde ouderdomspensioen.

Voorwaarden pensioenopbouw in eigen beheer en risico's


De loonbelasting stelt een aantal voorwaarden om het pensioen fiscaal gefacilieerd in de eigen bv te mogen opbouwen. De belangrijkste voorwaarden zijn:
• de pensioenuitvoerder is een lichaam dat in Nederland is gevestigd;
• de pensioenverplichting wordt voor de vennootschapsbelasting gerekend tot het binnenlandse ondernemingsvermogen;
• de pensioentoezegging zelf moet voldoen aan de definities en eisen van de loonbelasting.
Als aan deze voorwaarden is voldaan, kan de dga in de eigen bv zijn pensioen opbouwen. Het voordeel van de opbouw van het pensioen in eigen beheer is dat de middelen in de eigen onderneming beschikbaar blijven. Daar staat tegenover dat de bv uiteindelijk aan haar pensioenverplichtingen zal moeten voldoen. Het risico bestaat dus dat op het moment van pensionering de bv onvoldoende middelen heeft om het pensioen te kunnen uitkeren. Dit risico geldt ook als de dga voortijdig overlijdt en de bv een nabestaandenpensioen moet uitkeren. Om te voorkomen dat de nabestaanden onvoldoende verzorgd achterblijven, wordt in de praktijk vaak het nabestaanden- en wezenpensioen ondergebracht bij een verzekeringsmaatschappij. Het ouderdomspensioen wordt dan in eigen beheer opgebouwd. Een ander nadeel van de opbouw van het pensioen in eigen beheer in vergelijking met het extern verzekeren houdt verband met de opbouw van de pensioenrechten. Zo is de AOW-franchise bij de opbouw in eigen beheer hoger dan bij opbouw bij een verzekeringsmaatschappij. Verder mag bij de opbouw in eigen beheer geen pensioen worden opgebouwd over loon in natura terwijl dat wel mag bij de opbouw bij een verzekeringsmaatschappij.

 

Reservering op de balans van het pensioen in eigen beheer


De bv waar het pensioen in eigen beheer wordt opgebouwd, vormt een reserve voor de toekomstige pensioenuitkeringen aan de dga. Zowel bij de opbouw van de reserve als in de uitkeringsfase moet jaarlijks de omvang van deze reserve worden vastgesteld. Het doelvermogen geldt als uitgangspunt voor de vaststelling van de jaarlijkse omvang van de reserve. Het doelvermogen is het vermogen dat op het moment van het ingaan van de pensioenuitkeringen (veelal op 65-jarige leeftijd) nodig is om de toegekende pensioenrechten te kunnen voldoen. De opbouw van de pensioenvoorziening vindt tegelijkertijd plaats met de opbouw van de pensioenrechten door de dga. Dit wordt ook wel het kapitaaldekkingsstelsel genoemd. Andere opbouwstelsels zoals het omslagstelsel of het rentedekkingsstelsel zijn fiscaal in strijd met goed koopmansgebruik en derhalve niet toegestaan. Door de opbouw van een pensioenvoorziening ontstaat er dus op de passiefzijde van de balans een reserve. Van het vermogen op de actiefzijde van de balans van de pensioenuitvoerder is dan een deel (of het geheel) bestemd om de pensioenuitkeringen op pensioendatum waar te kunnen maken. Nu wordt ook zichtbaar waarom de opbouw van pensioen in eigen beheer als aantrekkelijk wordt ervaren. Vaak zijn de middelen die bestemd zijn voor de financiering van de pensioenuitkeringen geïnvesteerd in de onderneming.

 

Opbouwmethoden balansvoorziening pensioen in eigen beheer


Bij het kapitaaldekkingsstelsel is het doelvermogen het uitgangspunt voor de opbouw van de pensioenvoorziening. Het doelvermogen wordt vastgesteld op basis van de levensverzekeringswiskunde zoals levensverzekeringsmaatschappijen die toepassen. In de opbouwfase wordt op basis van een aantal uitgangspunten jaarlijks naar dit doelvermogen toegewerkt. Voor de berekening van de pensioenvoorziening bestaan er verschillende methoden:
• de lineaire methode;
• de interestopbouwmethode;
• de actuariële methode.

Lineaire methode
Bij de lineaire methode vindt de opbouw naar het doelvermogen plaats door jaarlijks een gelijk bedrag te doteren aan de pensioenvoorziening. Daarbij wordt geen rekening gehouden met sterftekansen of met oprenting van het opgebouwde pensioenvermogen.

Interestopbouwmethode
Bij de interestopbouwmethode wordt wel rekening gehouden met de oprenting van het opgebouwde pensioenvermogen. In feite wordt bij deze methode het benodigde doelvermogen contant gemaakt voor zover de pensioenrechten zijn opgebouwd. Het contant gemaakte bedrag vormt dan het bedrag van de pensioenreserve in het betreffende jaar.

Actuariële methode
Bij de actuariële methode moet jaarlijks de hoogte van de pensioenreserve worden vastgesteld, rekening houdend met de sterftekans van de pensioengerechtigde.
De opgebouwde pensioenrechten worden tevens contant gemaakt tegen een bepaalde rentevoet.


Van al deze methoden is de lineaire methode de meest eenvoudige. Ook is bij de lineaire methode de stand van de pensioenvoorziening aan het begin van de pensioenopbouw normaliter het hoogst van alle drie de methoden. Omdat dit ook fiscaal een hogere aftrek opleverde is de lineaire methode sinds 1995 niet meer toegestaan. Op de fiscale balans mag de pensioenreserve uitsluitend nog vastgesteld worden met toepassing van een actuariële methode.


Welke opbouwmethode mag gelden voor pensioen in eigen beheer

 

Dé actuariële methode bestaat eigenlijk niet. Er zijn verschillende waarderingsmethoden die rekening houden met de sterftekans van de pensioengerechtigde. Sinds 1 januari 2004 kan alleen nog een actuariële waardering in eigen beheer worden toegepast die ook door verzekeringsmaatschappijen wordt toegepast. Uitgangspunt hierbij is de gedachte dat zoveel mogelijk wordt aangesloten bij wat tussen onafhankelijke partijen hierover zou zijn overeengekomen. In de situatie waarin het pensioen is ondergebracht bij een verzekeraar is de zuiverepremiemethode niet ongebruikelijk. Ook de premiekoopsommethode komt voor. Bezien vanuit de hierboven omschreven optiek zijn deze methoden bij eigen beheer thans aanvaardbaar. Dit geldt echter duidelijk niet voor de premie-bij-indiensttredingmethode. Deze methode komt in de praktijk in relatie met derden (vrijwel) niet voor. Daarom mag deze methode niet meer worden toegepast om de pensioenreserve te waarderen. Bij de waardering van een pensioenvoorziening op actuariële grondslagen is een aantal elementen relevant voor de vaststelling van de jaarlijkse omvang van de pensioenvoorziening. Deze elementen zijn de sterftekans van de pensioengerechtigde en de rekenrente. 

Sterftekans
Bij de actuariële waardering wordt rekening gehouden met de sterftekans van de pensioengerechtigde. Deze sterftekans is (mede) afhankelijk van de leeftijd van de pensioengerechtigde. Voor de bepaling van deze sterftekans zijn overlevingstafels ontwikkeld die gekoppeld zijn aan een bepaalde leeftijdcategorie en het geslacht. In de praktijk is het gebruikelijk dat levensverzekeringsmaatschappijen bij lijfrenten deze tafels toepassen en daarbij een leeftijdterugstelling toepassen. De terugstelling houdt verband met de ervaring dat personen die een lijfrente bij een verzekeringsmaatschappij verzekeren langer leven dan op grond van de overlevingstafel kan worden verwacht. Deze ervaring wordt wel aangeduid met de term autoselectie. De Hoge Raad acht eenzelfde leeftijdterugstelling bij pensioen in eigen beheer aanvaardbaar. In de situatie waarin het pensioen in eigen beheer wordt opgebouwd, wordt – ofschoon dit wel tot de mogelijkheden behoort – nu juist geen pensioen bij een onafhankelijke derde gekocht, zodat het verschijnsel van autoselectie zich daar niet voor kán doen. Bij de waardering van een pensioenvoorziening in eigen beheer mag dan ook uitsluitend een leeftijdterugstelling toegepast worden wegens technische correctie omdat de gehanteerde overlevingstafel niet de meest actuele is. Leeftijdterugstellingen uit anderen hoofde zijn niet toegestaan.

Rekenrente
De rekenrente bedraagt volgens de wet ten minste 4%. De Hoge Raad heeft beslist dat pensioenverplichtingen op de winstbepalende balans moeten worden gewaardeerd tegen de geldende marktrente voor langlopende leningen ten tijde van het aangaan van de verplichtingen. Bij een daling van de rentestand mogen de verplichtingen dienovereenkomstig hoger worden gewaardeerd. Bij een nadien optredende stijging van de rentestand moeten de verplichtingen dienovereenkomstig lager worden gewaardeerd doch niet lager dan zij oorspronkelijk zijn gewaardeerd. Volgens de staatssecretaris betekent dit dat de pensioenreserve moet worden bepaald aan de hand van de marktrente zoals aangegeven door de Hoge Raad, maar met als minimumrente 4%.

Pensioen in eigen beheer en echtscheiding


Echtscheiding kan een grote impact hebben op de financiële positie van de dga. Niet alleen dient het gemeenschappelijke vermogen te worden verdeeld, maar ook kan de echtscheiding gevolgen hebben voor de opgebouwde pensioenrechten tijdens de huwelijkse periode. Daarbij speelt de Wet pensioenverevening een belangrijke rol. Uitgangspunt bij deze wet is dat beide echtgenoten de opgebouwde pensioenrechten tijdens de huwelijkse periode verevenen. Zo komt het ouderdomspensioen opgebouwd tijdens de huwelijkse periode voor de helft toe aan de ex-echtgenoot van de dga. Tevens heeft ieder recht op het volledige partnerpensioen opgebouwd tijdens de huwelijkse periode. Deze pensioenverevening bij echtscheiding geldt ongeacht het huwelijksgoederenregime waaronder de dga gehuwd is. Wel mag in de huwelijkse voorwaarden of in het echtscheidingsconvenant van de verdeelregels van de Wet pensioenverevening worden afgeweken of mogen deze zelfs worden uitgesloten.


Wordt er verevend, dan heeft ieder op pensioendatum een zelfstandig recht op het betreffende (deel aan) pensioenrecht. Ook kan onder voorwaarden verzocht worden om de verevende pensioenaanspraken onder te brengen bij een andere pensioenuitvoerder. Dit laatste recht kan bij een pensioen opgebouwd in eigen beheer leiden tot liquiditeitsproblemen. Zeker indien de middelen voor de pensioenverplichting zijn geïnvesteerd in de onderneming. Eventueel kan een voorziening worden getroffen in de huwelijkse voorwaarden die het overdragen van pensioenrechten uitsluit.

Pensioen in eigen beheer en overlijden


Zolang de dga als uitkeringsgerechtigde in leven is, zal de bv een reserve of voorziening treffen voor haar verplichtingen aan de dga. De verplichting tot het uitbetalen van een ouderdomspensioen komt te vervallen bij het overlijden van de dga als uitkeringsgerechtigde. Eventueel moet de bv dan een andere verplichting nakomen, de uitbetaling van een nabestaanden- of wezenpensioen. Het moment van overlijden van de dga kan tot een fiscale claim leiden op grond van de:
• vennootschapsbelasting (afrekening bij de bv over vrijgevallen verplichtingen);
• inkomstenbelasting (box 2, vervreemding aanmerkelijk belang aan erfgenamen);
• successierecht (vererving aandelen aan erfgenamen).

Vennootschapsbelasting en pensioenvoorziening bij overlijden

Bij overlijden kan de bv geheel of gedeeltelijk bevrijd zijn van de verplichting een pensioen uit te keren. De gevormde pensioenvoorziening valt daarmee (gedeeltelijk) vrij in het resultaat van de bv en wordt belast met vennootschapsbelasting. De vrijval van de pensioenvoorziening wordt (deels) voorkomen als de bv als gevolg van het overlijden een nabestaandenpensioen moet gaan uitkeren. Heeft de bv geen verplichting (meer) tot het betalen van deze nabestaandenuitkering, dan valt alsnog de gehele reserve of voorziening belast vrij.

Inkomstenbelasting bij overlijden 


Door de vrijval van de voorziening stijgt het resultaat van de bv. Daardoor neemt ook de aanmerkelijkbelangclaim op de aandelen in de bv toe. Immers, de winstreserves stijgen na afrekening voor de vennootschapsbelasting en daarmee ook de waarde van de aandelen. Worden deze winstreserves uitgekeerd, dan betekent dit een heffing over het dividend in box 2. Uiteraard vererven ook de aandelen in de pensioen- of lijfrente-bv. De vererving zelf levert een belaste vervreemding op voor de inkomstenbelasting in box 2. Wel wordt het aanmerkelijk belang zonder afrekening voor box 2 doorgeschoven naar de erfgenamen, tenzij de erfgenamen kiezen voor afrekening. 


Successierecht en pensioen in eigen beheer


Bij het overlijden van de dga moet ook rekening gehouden worden met de heffing van successierecht over de waarde van de aandelen. Bij de waardering van de aandelen voor het successierecht wordt rekening gehouden met de waardestijging van de aandelen door het wegvallen van de pensioenverplichting. Bij bepaling van de belaste verkrijging voor het successierecht mag een latente belastingclaim van 6,25% worden toegepast over het verschil tussen de waarde van de aanmerkelijkbelangaandelen en de verkrijgingsprijs. Ook als de aandelen van de pensioen-bv al in handen van de kinderen zijn, wordt de vrijval van de verplichting bij de kinderen belast met successierecht.


Om de cumulatie van deze belastingheffingen te voorkomen wordt in de praktijk door de kinderen van de dga soms een zogenoemde contraverzekering met de bv gesloten. De contraverzekering is een levensverzekering waarbij een bedrag wordt verzekerd ter grootte van de pensioenvoorziening. De contraverzekering wordt gesloten op het leven van de pensioengerechtigde, de dga. De dga schenkt de kinderen een bedrag zodat de kinderen de premie aan de bv kunnen betalen. Deze schenking vindt plaats met gebruikmaking van de schenkingsvrijstelling voor kinderen. Komt de dga te overlijden, dan valt de pensioenvoorziening voor de uitkering aan de dga vrij. Tegelijkertijd ontstaat bij de bv de verplichting om een bedrag uit te keren aan de kinderen dat overeenkomt met de vrijgevallen voorziening. Per saldo neemt het belaste resultaat bij de bv dan niet toe. Ook neemt de aanmerkelijkbelangclaim op de te vererven aandelen niet toe. De uitkering is wel belast bij de kinderen voor de inkomstenbelasting in box 1. De kinderen stellen namelijk via het betalen van premies vermogen ter beschikking aan de bv van hun vader of moeder. Dit betekent een heffing van al gauw 52% over de ontvangen uitkering voor zover deze de betaalde premies te boven gaan. Een cumulatie van vennootschapsbelasting en successierecht wordt voorkomen, maar het is de vraag of de heffing van 52% inkomstenbelasting aantrekkelijker is.

 

Financiele planning van het pensioen in eigen beheer

Als onafhankelijke specialisten zijn wij in staat om voor u inzichtelijk te maken welke keuzes op de korte als op de lange termijn de voorkeur genieten. Door het opstellen van een financiele planning krijgt u een helder overzicht met concrete aanbevelingen.

Indien u hierover een afspraak wilt maken, neem dan telefonisch contact met ons op via 0320 - 215350.

© 2008 Financiële Planning Specialist