| Adres: | Bronsweg 7 8211 AL Lelystad |
| Telefoon: | 0320 - 215 350 |
| Telefax: | 0320 - 247 010 |
| E-mail: | Contactformulier |
De wetgeving over lijfrenteverzekeringen is met ingang van 1 januari 2001 ingrijpend gewijzigd. Met de introductie van het boxensysteem heeft de wetgever een nieuwe wet inkomstenbelasting ontwikkeld. De middelen om een belastingverlaging te financieren werden gevonden door het schrappen van enkele aftrekposten. Ook de lijfrentepremieaftrek is daardoor verminderd. Lijfrenteverzekeringen waarvoor premies zijn betaald die als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking zijn genomen (dus in mindering zijn gebracht op het inkomen), vallen in box 1. Dit houdt in dat de waarde (en dus ook de aangroei) van deze verzekeringen tijdens de looptijd onbelast is, maar dat de uitkeringen te zijner tijd in de progressieve heffing van box 1 zullen worden betrokken. De belastingplichtige heeft de keuze om een lijfrentepremie in mindering te brengen op het inkomen. Als de premie niet in aftrek wordt gebracht, valt de betreffende verzekering (of het betreffende deel van de verzekering) in box 3. Dit houdt in dat de waarde van de verzekering jaarlijks onderdeel vormt van het vermogen voor box 3. De uitkeringen zullen onbelast zijn.
Een aanspraak volgens een overeenkomst van levensverzekering op vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen die eindigen uiterlijk bij overlijden, welke aanspraak niet kan worden afgekocht, vervreemd, prijsgegeven, of formeel of feitelijk tot voorwerp van zekerheid kan dienen, anders dan ten behoeve van uitstel van betaling op grond van art. 25, lid 5, Invorderingswet 1990. Onder een lijfrente wordt mede verstaan de aanspraak op winstuitkeringen voor zover de uitkeringen verband houden met een lijfrente.
De wet onderscheidt een aantal categorieen die voor premieaftrek in aanmerking komen:
De lijfrenten die dienen voor aanvulling van een pensioentekort is de meest voorkomende vorm. Deze lijfrenten worden weer onderscheiden in momenteel drie vormen, de oudedags-, nabestaanden en tijdelijke oudedagslijfrente. De overbruggingslijfrente is per 1-1-2006 geschrapt.
De Wet IB 2001 stelt dat lijfrentepremieaftrek alleen kan worden verkregen voor bepaalde vormen van lijfrenten of een combinatie hiervan. In de volgende paragrafen worden de verschillende vormen besproken. Een lijfrente is een bijzondere vorm van een periodieke uitkering. Dat houdt dus in dat elke lijfrente een periodieke uitkering is, maar dat niet elke periodieke uitkering een lijfrente is. Een periodieke uitkering is bijvoorbeeld de uiktering vanuit een stamrecht. Deze uitkeringen hoeven niet vast en gelijkmatig te zijn, zoals bij een lijfrente.
Een oudedagslijfrente mag op elk moment ingaan en is onbeperkt in hoogte. Het uiterlijke moment waarop de oudedagslijfrente moet ingaan, is het jaar waarin de belastingplichtige 70 jaar wordt. Dat is dus uiterlijk op 31 december van dat jaar. Op deze regel bestaat een uitzondering en wel voor stakende ondernemers. Als een ondernemer zijn onderneming staakt op een moment dat hij al ouder is dan 70 jaar, is het toch nog toegestaan een oudedagslijfrente voor de stakingswinst en/of de oudedagsreserve aan te kopen. De staatssecretaris van Financiën heeft dit bij besluit bepaald. Aan deze lijfrentevorm is de voorwaarde verbonden, dat de uitkering pas mag eindigen bij het overlijden van de belastingplichtige. Dit houdt dus in dat het een levenslange lijfrente moet zijn. Een vaste daling van de termijnen is niet toegestaan. Het is echter wel toegestaan de termijnen aan te passen met de inflatie. Hierbij mag worden uitgegaan van de te verwachten inflatie. Een maximale stijging van 3% samengestelde interest is op dit moment toegestaan.
Een nabestaandenlijfrente gaat in bij het overlijden van de belastingplichtige. De wet beperkt de nabestaanden niet tot een bepaalde kring van personen. Een nabestaandenlijfrente mag dus aan elke willekeurige natuurlijk persoon toekomen.
Een nabestaandenlijfrente mag niet toekomen aan een rechtspersoon. In de praktijk komt het nogal eens voor dat na het overlijden van de verzekerde blijkt, dat de uitkering toekomt aan bepaalde goede doelen. Deze goede doelen zijn dan in het testament benoemd als erfgenaam. Dit houdt naar mijn mening in dat de nabestaandenlijfrente wordt afgekocht en dat de consequenties hiervan worden verrekend in de nalatenschap van de overleden persoon. Voor alle nabestaandenlijfrenten geldt dat voldaan moet worden aan het onzekerheidsvereiste. Een tijdelijke lijfrente behoort tot de mogelijkheden. Alleen als de nabestaande zich in de hieronder genoemde groep bevindt moet de lijfrente hetzij levenslang zijn, hetzij uiterlijk eindigen op het moment waarop deze begunstigde 30 jaar wordt. Deze kring van begunstigden is:
Voor partners of gewezen partners geldt deze regel niet, waardoor voor deze personen een lijfrente met 1%-sterftekans voldoende is. De eis dat de nabestaandenlijfrente uiterlijk moet eindigen op het moment dat de begunstigde 30 jaar wordt heeft in de praktijk tot discussie geleid. In de situatie dat de verzekerde vader of moeder overlijdt en de uitkering toekomt toe aan de kinderen, kunnen problemen ontstaan met betrekking tot het onzekerheidsvereiste. Voor alle lijfrentevormen geldt namelijk dat voldaan moet worden aan dit vereiste (de overlijdenskans van de verzekerde op de ingaande lijfrente moet minimaal ongeveer 1% bedragen). Als de begunstigde kinderen jonger dan 30 jaar zijn, kan vaak toch niet worden gekozen voor een lijfrente die uiterlijk eindigt op het moment dat zij 30 jaar worden, omdat niet aan het onzekerheidsvereiste wordt voldaan. Daarnaast is er ook nog eens een verschil in sterftekans tussen jongens en meisjes. De wettelijke regel zou hiermee tot een papieren regel verworden. Vandaar dat de wetgever heeft bepaald dat dat het onzekerheidsvereiste in deze situaties buiten beschouwing mag worden gelaten. Dit betekent dat een begunstigde jonger dan 30 jaar toch een tijdelijke lijfrente mag sluiten, die uiterlijk eindigt op het moment dat deze persoon 30 jaar wordt. Naar mijn mening mag de lijfrente dus ook eerder eindigen. De hoofdregel in de wet is, dat een nabestaandenlijfrente direct in moet gaan na het overlijden van de verzekerde. In sommige situaties is het echter toegestaan dat de uitkering uit een nabestaandenlijfrente niet direct ingaat na het overlijden. De staatssecretaris heeft in een besluit bepaald, dat de nabestaandenlijfrente mag worden uitgesteld als de begunstigde recht heeft op een Anw-uitkering. Dit uitstel mag dan plaatsvinden tot het moment dat de Anw-uitkering eindigt. De mogelijkheden van het uitstellen van de nabestaandenlijfrente blijven onder de Wet IB 2001 beperkt tot de situatie waarin de begunstigde recht heeft op een Anw-uitkering. Het is niet mogelijk dat de begunstigde het recht op de nabestaandenlijfrente omzet in een andere toegestane lijfrentevorm.
Een overbruggingslijfrente laat zich het best vergelijken met een prepensioen. De bedoeling is dat er een periode wordt overbrugd vanaf het moment dat men stopt met werken tot het moment dat een pensioen of AOW-uitkering ingaat. Deze lijfrentevorm mag, net zoals de oudedagslijfrente, op elk gewenst moment ingaan. De einddatum van deze lijfrente moet echter liggen in het jaar waarin de belastingplichtige een pensioen gaat genieten, dan wel het jaar waarin hij 65 jaar wordt. De belastingplichtige heeft de keuze tussen beide momenten. Dit houdt dus in dat de lijfrente mag eindigen op 1 januari, maar ook op 31 december van dat betreffende jaar. Het moet ook daadwerkelijk gaan om een pensioenuitkering. Dit houdt in dat een VUT-uitkering uitdrukkelijk niet als pensioen wordt aangemerkt. De hoogte van de jaarlijkse termijnen mag niet groter zijn dan € 62.414 per jaar in 2004. Bij de hoogte van de jaarlijkse termijnen mag men niet vooruitlopen op de indexatie van dit wettelijke maximum. Het bedrag in het jaar van sluiten is daarvoor bepalend. Bij een overbruggingslijfrente speelt het onzekerheidsvereiste geen rol. Per 1 januari 2003 is de Wet IB 2001 aangepast en hierin is bepaald, dat de grootte van de kans op overlijden van de gerechtigde niet van belang is. Vanaf 1 januari 2006 is het niet meer mogelijk om premies in mindering te brengen op het belastbaar inkomen voor een overbruggingslijfrente. Hiervoor geldt een uitgebreid overgangsregime die we hier niet verder bespreken.
De looptijd van een tijdelijke oudedagslijfrente moet minimaal vijf jaar zijn. De maximale jaarlijkse hoogte van de lijfrentetermijnen is € 18.727 (2004). Deze lijfrentevorm sluit aan op de overbruggingslijfrente, want het ingangsmoment mag niet eerder liggen dan het jaar waarin de belastingplichtige 65 jaar wordt dan wel het jaar waarin de belastingplichtige een pensioen gaat genieten. Het is wel toegestaan dat deze lijfrentevorm later ingaat dan de genoemde tijdstippen. De tijdelijke oudedagslijfrente mag, zoals de oudedagslijfrente, niet later ingaan dan het jaar waarin de belastingplichtige 70 jaar wordt.
Op het moment dat de lijfrenteverzekering daadwerkelijk uit gaat keren, is over de termijnen loonbelasting (inkomstenbelasting) en premies volksverzekeringen verschuldigd. Het tarief van de heffing is afhankelijk van het inkomen van degene die de termijnen ontvangt. Onder de Wet IB 2001 is het in het algemeen noodzakelijk dat de verzekeringnemer, verzekerde en begunstigde dezelfde persoon zijn. Degene die een uitgestelde lijfrente bedingt moet in die situatie ook de begunstigde zijn. Dat dit onder omstandigheden voordelig kan zijn, toont het volgende voorbeeld aan.
Om voor premieaftrek in aanmerking te komen dient een pensioentekort aangetoond worden. Dit kan op drie manieren worden aangetoond:
• basisruimte;
• jaarruimte;
• reserveringsruimte.
De mogelijkheid wordt bepaald door het pensioentekort in het vorige kalenderjaar. De aftrek is toegestaan aan belastingplichtigen die bij aanvang van het kalenderjaar nog niet de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt. Volgens de volgende formule wordt de aftrek bepaald, 0,17 x (PI-10.990) - (F 7,5A) - Sp.
Het PI staat voor persoonlijk inkomen. Hieronder wordt verstaan het totaal van winst uit ondernemeing voor mutatie FOR en voor ondernemersaftrek, het belastbare loon, het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden, de belaste periodieke uitkeringen en verstrekkingen van de belastingplichtige. Is het persoonlijk inkomen - de AOW-franchise (€ 10.990) groter dan € 150.957 dan telt het meerdere niet meer mee. Hiervan uitgaande kan de premieaftrek ten hoogste € 25.662 bedragen.
Er worden een aantal posten in mindering gebracht, te weten de FOR-dotatie en de toeneming van de pensioenaanspraak. De FOR-dotatie wordt bepaald door het verschil tussen de dotatie aan de reserve en de eventuele vermindering van de reserve wegens het overschrijden van het ondernemingsvermogen. De tweede verminderingspost is 7,5 x het bedrag van de aangroei in het kalenderjaar van de uitkering waarop de belastingplichtige recht heeft. In het uitvoeringsbesluit staan verder regels beschreven hoe de pensioenaangroei moet worden becijferd.
Het niet benutte gedeelte van in het verleden te weinig opgebouwde pensioenrechten kan door deze regeling worden benut. In een bepaald jaar mag niet meer dan 0.17 x de premiegrondslag tot € 6.492 worden benut. Voor belastingplichtingen die op 1 januari 55 jaar of ouder zijn wordt dit bedrag verhoogd tot € 12.823.
Ondernemers die vanuit een eenmanszaak of VOF hun activiteiten verrichten hebben geen mogelijkheid om een pensioen op te bouwen. Dit kunnen zij doen door gebruik te maken van lijfrenten of banksparen. Zij kunnen gebruik maken van de hierboven beschreven mogelijkheden. Bovendien kunnen ze gebruik maken van de Fiscale Oudedags Reserve (FOR) en de stakingswinst.
De fiscale oudedagsreserve is een voorziening voor zelfstandig ondernemers. Het is deze ondernemers toegestaan een bepaald percentage jaarlijks in mindering te brengen op de winst. Dit bedrag wordt dan de fiscale oudedagsreserve genoemd en wordt gereserveerd binnen de onderneming. Met ingang van 1 januari 2001 staat deze reserve ook op de balans van de onderneming. Tot deze datum was dit niet het geval.
De reserveringen kunnen in de toekomst worden aangewend voor een oudedagsvoorziening. De ondernemer heeft hierbij de keuze van een uitkering ineens (belast in box 1 tegen het progressieve tarief) of het aankopen van een lijfrente (uitkeringen belast in box 1). Deze reserve is onderdeel van het systeem van toekomstvoorzieningen in de tweede pijler. Vandaar dat in het lijfrentesysteem rekening wordt gehouden met deelname aan de FOR of niet. In de formule van de jaarruimte wordt de FOR-dotatie in mindering gebracht. Op elk gewenst moment kan de ondernemer de oudedagsreserve omzetten in een lijfrente bij een verzekeringsmaatschappij. Het is niet toegestaan dat deze lijfrente bij een eigen BV of bij de eigen onderneming wordt aangekocht (wel eventueel bij een bedrijfsopvolger). Ook is het mogelijk om de dotatie aan de FOR direct onder te brengen in een lijfrenteverzekering bij een verzekeraar. Ook voor de oudedagsreserve geldt een terugploegregeling. De wet bepaalt dat de premie in het kader van de oudedagsreserve uiterlijk binnen zes maanden na het kalenderjaar moet zijn betaald, om deze vervolgens nog in het kalenderjaar in mindering te brengen. Dus hier geldt niet, zoals bij de jaar- en reserveringsruimte, een termijn van drie maanden na het kalenderjaar. Het is echter niet toegestaan de FOR op elk willekeurig moment te laten afnemen om vervolgens progressief over de vrijval af te rekenen. Dit zou leiden tot afname in verliesjaren of in jaren van lage inkomens. De dotatie zou dan wellicht tegen een hoog inkomstenbelastingtarief hebben plaatsgevonden, maar afrekening zou dan tegen een laag tarief (of zelfs in het geheel onbelast) geschieden. Vandaar dat het slechts mogelijk is de FOR tussentijds om te zetten in een lijfrente (direct ingaand of uitgesteld) dan wel afname bij het beëindigen van de onderneming. Een ondernemer kan een keuze maken tussen deelname aan de FOR of het benutten van de jaarruimte. Hierbij dienen enkele afwegingen te worden gemaakt. De eerste afweging is dat de gelden voor een lijfrenteverzekering uit hoofde van de jaarruimte de onderneming daadwerkelijk moeten verlaten en dit is bij de FOR niet het geval.
Een tweede afweging is dat de hoogte van de aftrek uit hoofde van de jaarruimte haast nooit gelijk is aan de hoogte van de dotatie aan de FOR. De beide varianten dienen dus naast elkaar te worden gezet om te beoordelen waarvoor het beste kan worden gekozen.
Lijfrenten ten gunste van meerderjarige invalide kinderen
Een levenslange lijfrente die toekomt aan een meerderjarig invalide (klein)kind en uitsluitend eindigt bij het overlijden van de gerechtigde. De lijfrentepremie is onbeperkt aftrekbaar. Er hoeft dus geen sprake te zijn van een pensioentekort en er gelden geen maximumbedragen.
Periodieke uitkeringen in verband met invaliditeit, ziekte of ongeval Periodieke uitkeringen in verband met invaliditeit, ziekte of ongeval zijn uitkeringen die u ontving van een particuliere verzekering in verband met invaliditeit, ziekte of ongeval. Bijvoorbeeld uitkeringen uit een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Lijfrenten bij overlijden en successieheffing
Lijfrenteuitkeringen die afkomstig zijn van polissen waarop de Wet IB 2001 van toepassing is, zijn vrijgesteld voor het successierecht, net zoals dat voor pensioenuitkeringen na overlijden het geval is. Wel wordt de waarde van deze verkrijging in mindering gebracht op de vrijstelling die geldt in het successierecht voor de belastingplichtige (imputatie). Bij echtgenoten/partners komt de waarde van de polis voor de helft in mindering op de vrijstelling. Tevens is bepaald dat er na deze imputatie altijd een bepaalde minimale vrijstelling zal resteren.
Uitkering lijfrente doorschuiven
Bij het expireren van een lijfrenteverzekering dient de verzekeringnemer een lijfrente aan te kopen zoals de wet die voorschrijft (al dan niet tijdelijke oudedagslijfrente of een overbruggingslijfrente). Het is echter ook mogelijk dat niet een direct ingaande lijfrente wordt aangekocht, maar dat opnieuw een uitgestelde lijfrente wordt aangekocht. In de toekomst zal dan een toegestane lijfrentevorm moeten worden gekozen.